Het laatste nieuws   

Verzorgd door Dhr drs J. Lahaye

  Januari 2016
Februari 2016
Maart 2016
Juni 2016
September 2016
Oktober 2016
November 2016
December 2016
Nieuws 2015
Nieuws 2014
Nieuws 2013
Nieuws 2012
 
 
  December 2016
 

Een AVA besluit inzake stopzetting van pensioenopbouw in eigen beheer met daarin een opdracht tot het instellen van een onderzoek ter voorbereiding van eventuele definitieve besluitvorming is een simpele eerste stap wat betreft de problematiek rond de uitfasering. Gezien de drie maanden extra tijd om de uitfasering te regelen (zie ons infomagazine 2016.07) moet dit besluit vóór 1 april 2017 genomen worden. Daar de cijfers op basis waarvan een beslissing genomen moet worden nog niet beschikbaar hoeven te zijn, terugwerkende kracht niet is toegestaan en de belastingdienst heeft laten weten dat er zonder een AVA besluit sprake is van een bo-venmatig pensioen, is dat besluit noodzakelijk (zie ook TK 34555 nr. 5 pag. 6).

Staatssecretaris Wiebes rekent in 2017 op een opbrengst van 2,1 miljard aan loon- en inkomstenbelasting. Dit is gebaseerd op het uitgangspunt dat 36% van de dga’s zal afkopen waarvan 2/3 in 2017. (Memorie van Toelichting pag. 18). Daarnaast zal 24% omzetten op oudedagsverplichting (ODV) en 40% niets doen. Gevraagd naar de onderbouwing van c.q. het onderzoek naar deze cijfers antwoord staatssecretaris Wiebes in de Nota naar aanleiding van het verslag op pagina 4 met een heel betoog, afsluitend met “alles afwegend is ver-ondersteld dat 36%...”. Met andere woorden de onderbouwing is mijn duim.

Inhalen in de tweede pijler na uitfasering middels afkoop en het gebruiken van de polis van een onbepaald extern verzekerd deel voor het omzetten van de uitkeringsovereenkomst in een kapitaalovereenkomst (zie ons infomagazine 2016.07) is toegestaan, voor zover er geen extra inhaalruimte wordt gecreëerd. Dat was kort samengevat het antwoord van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de belastingdienst. Het op-merkelijke in het antwoord van het CAP was, dat er geen aanspraken worden gewijzigd maar een deel wordt afgekocht (eigen beheer) en de andere aanspraken gewoon doorlopen. Maar deels afkopen was toch in strijd met artikel 38n lid 2 Wet LB?

Drie maanden extra tijd om de uitfasering van het pensioen in eigen beheer te regelen. Op basis van de in de nota van wijziging opgenomen delegatiebepaling (TK 34555 nr. 6 onderdeel 2) heeft staatssecretaris Wiebes in een begeleidende brief (TK 34552 nr. 38 pag. 10) meegedeeld dat er voorzien wordt in een extra periode van drie maanden, te beginnen op 1 januari 2017, om de laatste stappen te zetten die nodig zijn om 1) de opbouw stop te zetten 2) de pensioenbrief aan te passen en 3) eventueel extern opgebouwd pensioen terug te halen. Een nadere uitwerking zal plaatsvinden bij beleidsbesluit. Naast deze wijziging heeft hij tevens een correctie aangebracht zodat bij omzetting van een ODV in lijfrente de ODV niet in mindering gebracht kan worden op de te belasten lijfrentetermijnen en in feite dus onbelast ontvangen zou kunnen worden.

De afstortingsverplichting van pensioen in eigen beheer na echtscheiding zou volgens de jurisprudentie enkel van toepassing zijn op de vereveningsplichtige. De rechtbank in Utrecht oordeelde op 14 augustus 2013 (ECLI: NL:RBMNE:2013:3228, rov. 4.6) dat de tot verevening verplichte echtgenoot moet afstorten. De erfgenamen van een overleden ex-echtgenoot zijn geen tot verevening verplichte echtgenoot maar gezien de vergelijkbare situatie moest er toch afgestort worden. Het hof Amsterdam oordeelde op 21 juni 2016 (ECLI: NL:GHAMS:2016:2364, rov. 4.14) dat de jurisprudentie inzake de afstortingsverplichting niet van toepassing was omdat de vrouw niet de vereveningsgerechtigde was. Het betrof haar in eigen beheer opgebouwde pensioen in de BV, waarvan de aandelen werden toebedeeld aan de ex-echtgenoot. Een ander standpunt dan de rechtbank in Utrecht. Op basis van de afspraak tussen partijen moest er toch afgestort worden.

Het compenseren van overbedeling van pensioen met ander vermogen, zoals een woning, in geval van echtscheiding heeft zijn grenzen. Dat geldt zowel voor partijen als de belastingdienst. Duidelijk bleek dat in de uitspraak van het Hof in den Haag op 25 oktober jl. (ECLI: NL:RBZWB:2016:4550). Goed 70% van de waarde van de pensioenaanspraken van de beide ex-echtelieden ging naar de man, waar tegenover stond dat de woning voor 100% naar de vrouw ging. De inspecteur stelde, op basis van artikel 3.102 lid 3 Wet IB, vast dat er sprake was van een belastbare periodieke uitkering. De vrouw stelde op basis van artikel 3.102 lid 5 Wet IB, verwijzend naar het convenant, dat er geen sprake was van een belastbare periodieke uitkering. Verrekening van pensioenrechten op basis van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (wvps) is volgens artikel 3.102 lid 5 Wet IB geen belastbare uitkering. Daar de inspecteur geen onderzoek gedaan had naar het uitsluiten van de wvps door de ex-echtgenoten verklaarde de rechtbank artikel 3.102 lid 5 Wet IB van toepassing. De pensioenverrekening was niet belast. Wat betreft de lijfrente gold dit echter niet.

 
 
  November 2016
 

Uitfasering van pensioen in eigen beheer (PEB) kan, op grond van artikel 38n lid 2 (nieuw), alleen fiscaal geruisloos geschieden indien de gehele aanspraak wordt afgekocht of omgezet. Bij een gedeeltelijke afkoop of omzetting blijft artikel 19b LB van toepassing, hetgeen wil zeggen dat de gehele (commerciële waarde) van de aanspraak wordt belast en ook nog revisierente verschuldigd is (zie ook TK 34555 nr. 3 pag. 34).

De polis van een onbepaald verzekerd deel van het pensioen in eigen beheer kan volgens staatssecretaris Wiebes worden omgezet in een kapitaalovereenkomst (TK 34555 nr. 5 pag. 37). In feite wordt de uitkerings-overeenkomst dan volledig afgekocht en over dezelfde periode een andere (kapitaal)overeenkomst afgesloten. Op basis van de stellingname van staatssecretaris Wiebes in de memorie van toelichting (TK 34555 nr. 3 pag. 11) onder 3.6.4 is het niet toegestaan om in de derde (lijfrente) pijler het door afkoop ontstane pensioentekort in te halen. De vraag of er, gezien de mogelijkheid van omzetting in een kapitaalovereenkomst, een pensioentekort wel ingehaald kan worden in de tweede (pensioen) pijler hebben wij aan de belastingdienst voorgelegd.

Eerst PEB omzetten in een oudedagsverplichting (ODV) en dan afkopen is ook toegestaan. De daarbij toe te passen korting is afhankelijk van het jaar van afkoop (zie Memorie van Toelichting 3.4 einde).

Drie maanden extra tijd om de uitfasering van het pensioen in eigen beheer te regelen. Op basis van de in de nota van wijziging opgenomen delegatiebepaling (TK 34555 nr. 6 onderdeel 2) heeft staatssecretaris Wiebes in een begeleidende brief (TK 34552 nr. 38 pag. 10) meegedeeld dat er voorzien wordt in een extra pe-riode van drie maanden, te beginnen op 1 januari 2017, om de laatste stappen te zetten die nodig zijn om 1) de opbouw stop te zetten 2) de pensioenbrief aan te passen en 3) eventueel extern opgebouwd pensioen terug te halen. Een nadere uitwerking zal plaatsvinden bij beleidsbesluit. Naast deze wijziging heeft hij tevens een cor-rectie aangebracht zodat bij omzetting van een ODV in lijfrente de ODV niet in mindering gebracht kan wor-den op de te belasten lijfrentetermijnen en in feite dus onbelast ontvangen zou kunnen worden.

Problemen in verband met uitfasering pensioen in eigen beheer zullen zich met name voordoen als er sprake is van een extern verzekerd onbepaald deel, bij partnercompensatie, met name bij huwelijkse voorwaar-den en/of niet voor verwezenlijking vatbare aanspraken, of bij echtscheiding. Daar dit specifieke problematiek betreft beperken wij ons hier tot enkele opmerkingen. Wat betreft extern verzekerde delen merkte Prof. mr. H.M. Kappelle al op (WFR 2016/209) dat er één regeling is, die deels extern gefinancierd is. In zijn reactie be-schouwt de staatssecretaris terughalen van kapitaal naar de BV als waardeoverdracht (TK 34552 nr. 38 pag. 12). Daarbij ziet hij, naar ons idee, volledig over het hoofd dat een aanspraak op pensioen iets anders is dan de financiering van die aanspraak (zie ook ons infomagazine 2015.09). Een pensioenfonds pleegt toch ook geen waardeoverdracht als pensioenkapitaal bij een beleggingsfonds wordt ondergebracht. Wat betreft de partner-compensatie is een van de problemen dat, normaal gesproken, de waarde van het pensioen van de partner fors hoger is dan dat van de pensioengerechtigde zelf. De partner heeft immers recht op 50% van het ouderdoms-pensioen en 100% van het nabestaandenpensioen. In het voorbeeld van de staatssecretaris is de verhouding 73% tegenover 27%. Wat betreft echtscheiding is er in feite sprake van het wijzigen van de verdeling i.c. het openbreken van het convenant (zie ons infomagazine 2016.06).

De wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen werd op 17 november jl. door de Tweede Kamer aangenomen. Volgens de planning wordt er op 20 december 2016 in de Eerste Ka-mer gestemd over dit wetsvoorstel.

 
 
 
  Oktober 2016
 

Aanpassing van een echtscheidingsconvenant omdat het pensioenartikel gewijzigd moet worden kan een probleem zijn. Op grond van artikel 3:200 BW ver-valt een rechtsvordering tot vernietiging van de verdeling na 3 jaar. De rechtbank Rotterdam wees op 4 mei 2016, ECLI: NL:RBROT:2016:3426 de vordering tot aanpassing van het pensioenartikel af. De vrouw wenste in feite aanpassing van het convenant uit 2010, toen de marktrente 3,46% was, waarin was opgenomen dat in-zake de pensioenverevening uiterlijk 1-1-2015 afstorting zou plaatsvinden van € 175.000. Daar de rente als-maar daalde, daalde dus ook de dekking van haar aanspraken. Bij de beoordeling van de vordering hield de rechtbank rekening met artikel 3:200 BW omdat de hele verdeling bij toewijzing op losse schroeven zou komen te staan. Bij de waardering van de aandelen was immers rekening gehouden met de afstortingsverplichting van € 175.000. Bij toewijzing van de vordering zou de vrouw in 2010 overbedeeld zijn en de verdeling, in strijd met 3:200 BW, aangepast moeten worden.

Bij uitfasering van pensioen in eigen beheer kan compensatie nodig zijn omdat anders sprake is van een belastbare schenking (zie ‘Nota naar aanleiding van het verslag’ TK 34555 nr. 5 pagina 18 en 19). Maar wat is een passende compensatie? Dit kan zich voordoen bij waardestijging van aandelen indien er meerdere, in situatie verschillende, aandeelhouders zijn, zoals vader en zoon. In de situatie met een partner, waarmee de dga niet in gemeenschap van goederen is gehuwd, doet dit probleem zich ook voor. Ook bij een ex-partner bestaat dit probleem. Maar lopen we in de situatie met de ex-partner niet tegen artikel 3:200 BW aan (zie hierboven)?

De gewezen partner, die geen recht heeft op een deel van de pensioenaanspraak, lijkt volgens de staatssecretaris toch toestemming te moeten geven voor afkoop in het kader van uitfasering. Wij nemen aan dat de ex-partner op pagina 21 van de Nota (34555 nr. 5) niet bedoeld is. Als er geen enkel be-lang bij de ex-partner is, behoudens een wraakmotief, is toestemming overbodig! Dat na conversie volgens de staatssecretaris toestemming niet nodig is, zie pagina 35 van de Nota, is in onze ogen ook niet juist geformuleerd. Immers bij afzien van alle rechten in een convenant is er geen sprake van conversie maar ook geen belang.

Uitfasering van pensioen in eigen beheer, indien er sprake is van een onbepaald verzekerd deel, kent, naast het niets doen, 2 mogelijkheden. Oftewel het kapitaal van de polis wordt vóór 31-12-2016 overgeheveld naar de BV oftewel de pensioenovereenkomst wordt zodanig aangepast dat het verzekerde deel wordt gewijzigd in een kapitaalovereenkomst ( zie TK 34555 nr. 5 pag. 37).

Echtscheiding en afstorting conform het arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2007 levert bij uitfasering, als wij het goed zien, toch een apart probleem op. Er is immers, ter financiering van de aanspraken van de ex-partner, afgestort op basis van de commerciële waarde. Daar het gaat om dekking van de uitbetaling en er geen zelfstandig recht bestaat is de polis in feite een onbepaald elders verzekerd deel. De waarde van de polis kan echter hoger zijn dan de fiscale waardering van de totale aanspraak. De vraag hoe dit moet in de praktijk hebben we aan het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) voorgelegd.

Alle dga’s met pensioen in eigen beheer in de opbouwfase moeten vóór 1 januari 2017 een AVA-besluit genomen hebben, waarin een keuze wat betreft het eigen beheer wordt gemaakt. Wat men ook doet, afkopen, omzetten in een oudedagsverplichting (ODV) of niets, als er geen besluit genomen wordt bouwt men in feite in 2017 pensioen op en dan is de regeling bovenmatig. Uitgaande van het gegeven dat de Eerste Kamer waarschijnlijk pas op 20 december 2016 over deze wet zal stemmen, zie TK 34555 nr. 4 pag. 5, en analyse van de problematiek, laat staan het tot een vergelijk komen met een ex, nu niet altijd bepaald simpel zal zijn, lijken praktische problemen haast onvermijdelijk.

 
 
  September 2016
 

De Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (34555), die op Prinsjesdag is ingediend, heeft als doel afschaffing van het pensioen in eigen beheer per 1 januari 2017. Heel kort samengevat wordt voorgesteld in de Wet Loonbelasting, inzake eigen beheer, 3 alternatieven op te nemen: 1. (conform de pensioenovereenkomst te indexeren) pensioenaanspraken per 31-12-2016 bevriezen (art. 38n lid 1 nieuw), 2. afstempelen tot de fiscale reserve en die vervolgens omzetten in een oudedagsreserve (art. 38n lid 2 sub b nieuw en art. 38p nieuw) en 3. afstempelen tot de fiscale reserve en die vervolgens fiscaal aantrekkelijk afkopen (art. 38n lid 2 sub a nieuw en art. 38o nieuw). Deze mogelijkheden zijn niet alleen van toepas-sing op de opbouwfase maar ook op de uitkeringsfase. Welk alternatief genomen zal worden hangt af van de specifieke situatie en vereist veelal toch wel specialistisch advies. Zo moet de (ex-) partner, die het afgeleide recht verliest, schriftelijk toestemmen in afstempeling (art. 38n lid 4 nieuw) en dat zou wel eens een enorme belemmering kunnen zijn. Ook moet de Belastingdienst tijdig geïnformeerd worden middels een formulier op de site van de Belastingdienst (zie toelichting op art. 38n lid 5 nieuw).

Terughalen van extern verzekerd pensioen naar eigen beheer is in 2016 nog mogelijk. Vervolgens kan dat t/m 2019 worden afgekocht, maar dan wel zonder de korting. De korting is enkel van toepassing op de (fiscale) pensioenreserve in eigen beheer per 31 december 2015 (zie MvT 34555 nr. 3 onder 3.6.2). Met name in het geval van dekkingspolissen zal hiernaar gekeken moeten worden.

De Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (34555) regelt onder de overige fiscale pensioenmaatregelen ook een paar vereenvoudigingen. Deze zijn o.a. het achterwege laten van actuariële herrekening voor zover het gaat om de periode tussen de eerste dag van de maand waarin en de dag waarop de pensioenrichtleeftijd wordt bereikt en het afschaffen van de 100% grens en de doorwerkvereiste.

Wie loopt het financieringsrisico van opgebouwd pensioen en wat valt daar onder, nadat de uitvoeringsovereenkomst is opgezegd? Werkgever Alcatel-Lucent had zich bereid verklaard reeds opgebouwde pensioenrechten te respecteren. Zij interpreteerde dat als het betalen van de herstelpremies van de herstelplannen, exclusief opslagen. Voor het afscheid nemende, en door DNB tot overdracht van de pensioenverplichtingen gedwongen, ondernemingspensioenfonds was dat niet voldoende. Zij vorderde concrete betalingen en opslagen alsmede schade. Probleem is dat er geen vergoedingsplicht in de Pensioenwet is opgenomen in geval van opzegging van de uitvoeringsovereenkomst (art. 25 lid 1h PW). De Staatssecretaris vond dat niet nodig (zie brief 1-12-2014 TK 32043 nr. 232). Nadat kantonrechter en Hof de vorderingen afgewezen hadden verwees de Hoge Raad (ECLI: NL:HR:2016:1134) het geding naar het Hof Amsterdam. Deze moet zich met name buigen over de concrete verplichtingen van een werkgever na beëindiging van een uitvoeringsovereenkomst, mede in het geval van onderdekking.

De wet verbeterde premieregeling (zie ons infomagazine 2016.04) is op 1 september 2016 in werking getreden, conform het besluit van 7 juli 2016, gepubliceerd op 14 juli 2016 in Staatsblad 2016 nr. 279.

De Perspectiefnota Toekomst pensioenstelsel, de invulling van de hoofdlijnen (zie ons infomagazine van september 2015: 2015.07), is bij de brief van 8 juli 2016 (32043 nr. 337) aangeboden aan de Tweede Kamer. Uitgangspunt daarbij is een stelsel dat beter is toegesneden op de kenmerken en behoeften van de deelnemers met behoud van de sterke punten van het huidige stelsel: collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling. Dat betekent voor iedereen voldoende pensioen, meer zelf kiezen en afschaffen doorsneesystematiek. In 2020 moet het nieuwe pensioenstelsel een feit zijn, zo is de bedoeling van de Staatssecretaris.

 
 
  Juni 2016
 

Toekomstbestendig pensioensysteem of niet, 1 + 1 blijft 2. Wat men ook wijzigt aan de pensioenwetgeving, andere wetten zoals economische, psychologische en medische, kan een wetgever niet wijzigen. Is het probleem eigenlijk niet dat men af wil van ‘mijn premie voor jouw pensioen' en vervangen door ‘mijn premie voor mijn pensioen'? Is het probleem eigenlijk niet dat men het niet logisch vindt dat het tekort van de gepensioneerden betaald wordt door de jongeren? In feite is pensioen toch niets anders dan de contante waarde van een reeks uitkeringen. In feite blijkt toch, dat de werkelijke berekeningsgrondslagen, rendement en levensverwachting, ver afwijken van de theoretische berekeningsgrondslagen. En als het theoretische eindresultaat dan ook nog als eigendomsrecht bestempeld wordt is daarmee niet alleen een juridisch maar ook een psychologische probleem gecreëerd. Pensioen is toch 70% van het salaris, ook als de beurs is ingestort, of niet soms? In een huis kun je wonen, maar niet als het is afgebrand, of wel soms? Het blijven wel eigendommen, ‘en daar blijf je van af'.

De wet verbeterde premieregeling (wetsvoorstel 34255) is op 14 juni 2016 aangenomen in de Eerste Kamer, als gevolg waarvan de afhankelijkheid van de rentestand op één aankoopmoment verminderd. De wet voert een keuzerecht in tussen een variabele of vaste uitkering bij een kapitaal- of premieovereenkomst, ook als de pensioenuitvoerder zelf deze niet uitvoert (art. 63b PW nieuw). Ook wordt de definitie van een pensioeneenheid ingevoerd, een begrip dat verder nergens meer voorkomt in de wet. D66 merkte tijdens de behandeling van het wetsvoorstel op dat het een complex geheel geworden is (EK 34255 C pag. 4, 2 e alinea). De variabele uitkering kent 3 varianten waarvan er een gebaseerd is op de ‘pensioeneenheid' en de anderen, een individuele en een collectieve, op een minimale rekenrente met de mogelijkheid om middels een structurele daling van de uitkering een hogere initiële uitkering te realiseren, die als gevolg van ‘winstdeling' kan stabiliseren. De opmerking van o.a. 50Plus dat dit niet of nauwelijks meer uit te leggen is, is begrijpelijker. Feit is dat het risico bij de gepensioneerden ligt. De wet is nog niet gepubliceerd in het Staatsblad maar zou per 1-8-2016 van kracht worden (EK 34255 E pag. 9).

De herziening van het pensioenstelsel , een item waar nog steeds over gepraat wordt, lijkt gezien de discussie de richting op te gaan van degressieve pensioenopbouw bij gelijkblijvende premie met een eigen pensioenpotje voor iedereen met collectieve risicodeling. Wij kunnen ons, deze discussies een beetje volgend, niet aan de indruk onttrekken dat men op een zeer omslachtige wijze bezig is om over te stappen van de uitkeringsovereenkomst als uitgangspunt naar de premierovereenkomst (zie ook ons infomagazine 2016.02 inzake het belang van variabele pensioenuitkering). Dat is echter heel lastig want de gemiddelde deelnemer wil uiteindelijk weten wat hij of zij straks krijgt. Leg dan maar eens uit dat het pensioen(kapitaal), waar hij ieder jaar keurig een opgave van kreeg, samen met de AOW bij lange na geen 70% van zijn of haar laatste inkomen haalt omdat de rente te laag is en/of de levensverwachting te hoog. Wij blijven de discussie volgen. Nu is het wachten op de vóór het zomerreces toegezegde uitwerkingsnota. De stelselherziening zelf, dat wordt ook duidelijk, is een kwestie van de lange termijn.

De bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen (zie ons infomagazine 2016.03) zijn op 21 juni 2016 door de Eerste Kamer aangenomen. Hiermee kan de OR nu ook meebeslissen over de keuze van de pensioenuitvoerder.

De bekendmaking van de oplossingsrichting pensioen in eigen beheer is op 31 mei jl. middels een uitstelbrief door staatssecretaris Wiebes, ‘vanwege de afronding van het creëren van een breed draagvlak', tot uiterlijk het zomerreces verdaagd. Het wordt druk de komende week.

 
 
  Maart 2016
 

De rol van de ondernemingsraad (OR) ten aanzien van de arbeidsvoorwaarde pensioen wordt uitgebreid. De OR krijgt volgens wetsvoorstel 34278, ingediend bij de Tweede Kamer eind december 2015, instemmingsrecht wat betreft, regelingen die direct van invloed zijn op, de pensioenovereenkomst ongeacht de uitvoerder (zoals verzekeraar of fonds). Daarnaast komt er een informatieplicht wat betreft de uitvoeringsovereenkomst, teneinde te kunnen vaststellen of er instemmingsplichtige onderdelen in zitten. Als instemmingsplichtige voorbeelden worden genoemd premiebepaling en toeslagverlening. Voorbeelden waar geen instemmingsrecht bestaat zijn de keuze van een Nederlandse uitvoerder en het pensioenreglement. Uit de behandeling in de Tweede Kamer blijkt, dat de onduidelijkheid wat wel of niet instemmingsplichtig is en de implicaties daarvan onderwerp van bespreking en commentaar zijn.

Het Hof den Haag corrigeert de rechtbank den Haag en gaat vervolgens zelf de fout in. Dat althans maken wij op uit de tekst van de uitspraak van 30 september 2015 (ECLI: NL:GHDHA:2015:3883), gepubliceerd 17 februari 2016. De rechtbank had in een echtscheidingszaak de pensioenreserve verevend door de man te veroordelen de helft van de pensioenreserve, nadat die verminderd was met de fiscale claim, aan de vrouw uit te betalen. Het Hof oordeelde dat ten onrechte de fiscale claim in mindering gebracht was, omdat het uitbetaalde bedrag voor de vrouw fiscaal belast zou zijn. Het Hof sprak van verevening, blijkbaar niet wetend dat (de hoofdregel van) verevening is een 50/50 verdeling van de aanspraak op ouderdomspensioen tijdens de huwelijkse periode opgebouwd naast het aan de ex-partner toekomende bijzonder nabestaandenpensioen. Dat betreft normaal gesproken (veel) meer dan de helft van de reserve. Van deze hoofdregel mag men afwijken, maar dan wel zwart op wit. Van een andersluidende afspraak bleek nergens.

De Wet verbeterde premieregeling (Wetsvoorstel 34255), waarin de wetsvoorstellen ‘uitbetaling pensioen in pensioeneenheden' (34255) en ‘variabele pensioenuitkering' (34344, zie ons infomagazine 2016.02) geïntegreerd zijn, werd op 29 februari 2016 in de vorm van een tweede nota van wijziging naar de Tweede Kamer gestuurd. Mevrouw Lodders (VVD), de initiatiefnemer van het voorstel ‘uitbetaling pensioen in pensioeneenheden' en indiener van de motie inzake de lage rente bij aankoop van pensioen (zie ons infomagazine 2015.05), in december 2013, was op 29 januari 2016 in haar nota naar aanleiding van het verslag (34255 nr. 8 pag. 20) nu niet bepaald positief over het wetsvoorstel van de regering. De bedoeling, van beide voorstellen, was om middels doorbeleggen en de daarbij horende variabele uitkering niet volledig afhankelijk te zijn van één moment als het gaat om de aankoop van pensioen. In haar initiatiefvoorstel ging mevrouw Lodders uit van een keuze tussen vaste of variabele uitkering. Beide uitkeringen waren initieel exact hetzelfde. Daarna zou bij de optie variabel de uitkering kunnen variëren als gevolg van de risicofactor rente. De regering kende in haar voorstel zowel een individuele als een collectieve variant, en als risicofactoren rente, micro langlevenrisico en macro langlevenrisico. Beide varianten kennen, naast de vaste uitkering, een eigen rekenrente inzake de initiële uitkering. Onderzoek naar de gedragseconomische effecten van deze varianten is niet gedaan (TK 34344 nr. 9 pag. 4). In het geïntegreerde voorstel zijn deze varianten en risicofactoren gehandhaafd naast de pensioeneenheden. Per 1 juli 2016 moet de wet van kracht zijn.

Van intergenerationele naar interdisciplinaire solidariteit, is dat het gevolg van de introductie van toedelingskringen (wetsvoorstel verbeterde premieregeling) en collectiviteitskringen (APF zie ons infomagazine 2016.01)? De grenzen van de solidariteit worden immers gewijzigd. Bij de behandeling van het wetsvoorstel variabele pensioenuitkering werd geattendeerd op het probleem van de risicoselectie door verzekeraars (TK 34344 nr. 5 pag. 6.).

 
 
  Februari 2016
 

Is de biologische pensioenleeftijd een oplossing? Uit de door de RMU aangezwengelde discussie over wonen, zorg en pensioen (zie ons infomagazine 2015.10), onderwerp van ‘het flitscongres' op 6 januari 2016 in Amsterdam bij de VU en het pensioenseminar op 25 januari 2016 in Maastricht bij de UM, blijkt dat er wel een relatie bestaat tussen deze onderwerpen waar we iets mee moeten maar niets mee kunnen. We moeten er iets mee omdat de pensioengerechtigde die aan zijn pensioendatum toe is medisch gezien patiënt geworden is en wat betreft huisvesting aanpassing nodig heeft. We kunnen er niets mee omdat het geld kost dat er wel is maar vast zit in bv. onroerend goed of pensioen. Ook bestaan er problemen als kortwerkenrisico vanwege de slechte positie van ouderen op de arbeidsmarkt. Zou meer maatwerk de oplossing zijn? In hoeverre zou koppeling van de pensioenleeftijd aan de biologische leeftijd in plaats van de kalenderleeftijd de werkeloosheid onder ouderen verlagen? Genoeg stof om over na te denken met deskundigen van andere professies.

Wat is bepalend, de pensioenovereenkomst of de uitvoeringsovereenkomst? De uitspraak van de kantonrechter in Haarlem d.d. 04-03-2015 (NL:RBNHO:2015:1841) betrof een discussie over de samenstelling van de pensioengrondslag, die in de uitvoeringsovereenkomst na wijziging van uitvoerder afweek van de cao. De rechter oordeelde dat de afspraken in de cao bij de verplicht aangesloten onderneming los staan van de bepalende wettelijke verplichting. Bij vrijwillige aansluiting is de contractuele verplichting bepalend.

Afstorting van pensioen in eigen beheer na echtscheiding kan in redelijkheid niet verwacht worden als dit in strijd is met het vennootschappelijk belang. Dit is kort samengevat het oordeel van het Hof den Haag in haar op 9 februari 2016 gepubliceerde uitspraak van 25 november 2015 (ECLI: NL:GHDHA:2015:3875). De Rechtbank was nog tot de conclusie gekomen dat er een bedrag ter grootte van 126% van de pensioenreserve, voor de man en de vrouw, ten gunste van enkel en alleen de ex-echtgenote afgestort moest worden. Het Hof vond dit niet redelijk. Op grond van een postrelationele solidariteit tussen ex-echtgenoten liet het Hof het belang van de man meewegen: het effectief aanwezige pensioen moest tussen partijen in gelijke mate verevend worden. Ook achtte het Hof afstorting voor beide partijen redelijk en billijk.

Het wetsvoorstel variabele pensioenuitkering (nr. 34344) werd op 21 november 2015 naar de Tweede kamer gestuurd. Dit voorstel betreft het wettelijk kader voor premie- en kapitaalovereenkomsten wat betreft het realiseren van een uitkering op pensioendatum. Naast de vaste levenslange uitkering krijgt de deelnemer de mogelijkheid om te kiezen voor een variabel risicodragend pensioen. De risico's van beleggingen sterfte en levensverwachting worden dan niet meer gedragen door de pensioenuitvoerder maar door de deelnemer, de pensioengerechtigde zelf. In het wetsvoorstel staan tevens aanvullende maatregelen die enerzijds er voor zorgen dat de deelnemer zich bewust is van de risico's en anderzijds de omvang van die risico's beperken. Deze keuzemogelijkheid is ook mogelijk voor deelnemers die na 8 juli 2015 gebruik gemaakt hebben van de pensioenknip (zie onze infomagazines 2015.05 en 2015.06)

Het belang van het wetsvoorstel variabele pensioenuitkering wordt bepaald door een groeiend aandeel van beperkte omvang in de pensioenmarkt. Het aandeel van de premie- en kapitaalovereenkomsten liep van 2,3% in 1999 op naar 13,6% in 2015. De meerderheid van deze regelingen loopt rechtstreeks bij verzekeraars, waar meer dan 50% bestaat uit premie- en kapitaalovereenkomsten. Daarbij dient bedacht te worden dat verzekeraars ca. 15% aandeel in de pensioenmarkt hebben. Als variabel pensioen een oplossing is voor de pensioenproblematiek als omzetting van kapitaal naar uitkering voor risico van de pensioengerechtigde is, waarom is het dan ook geen oplossing voor dezelfde problemen als omzetting voor risico van de pensioenuitvoerder is? Variabiliseren in plaats van afstempelen.

 
 
  Januari 2016
 

De AOW-franchises 2016, bedragen waarover geen pensioenopbouw plaatsvindt, zijn gepubliceerd op de website www.lahaye.nl onder infomagazine nr. 2016.00 (zie tevens bijlage). Met ingang van 2015 gelden voor eindloonregelingen en middelloonregelingen verschillende franchises. In ons overzicht zijn niet alleen de franchises (vanaf 2005) voor een zelfstandige, een ongehuwde en een gehuwde met maximale toeslag opgenomen maar ook de franchises, die toegepast moeten worden bij verlaagde opbouw conform artikel 10aa Uitvoeringsbesluit Loonbelasting 1965 (UBLB).

Rekenrente (‘verplichte') waardeoverdracht 2016: 1,629%. De voor een 'verplichte' waardeoverdracht van toepassing zijnde regels – de 'Pensioenwet' (PW), 'Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling' (Besluit PW) en 'Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling' (Regeling PW) – kennen een standaardtarief. Voor het jaar 2016 bedraagt de rekenrente, een marktconforme disconteringsvoet, van dit standaardtarief 1,629% conform artikel 18 lid 3 van de Regeling PW. Voor 2015 bedroeg deze rekenrente 2, 156%. Praktisch betekent dit in 2016 een hogere overdrachtswaarde dan in 2015.

De rekenrente voor de overdrachtswaarde van pensioen in eigen beheer december 2015 bedroeg 1,0%. In januari 2016 is dat gedaald tot 0,93%. Deze rekenrente is gebaseerd op het rekenmodel Benaderde Marktwaarde van de belastingdienst (U-rendement + 0,5%). Op grond van Vraag & Antwoord 13-006 d.d. 27-11-2013 (zie www.belastingdienstpensioensite.nl ) waarin dit is opgenomen kan men de waarde ook aannemelijk maken aan de hand van een offerte van een verzekeraar voor een vergelijkbaar product. Wij wezen er in het verleden reeds op dat voor de bepaling van de commerciële waarde van een pensioen in eigen beheer een andere maatstaf, U-rendement + 0,5% (V&A 13-006), genomen wordt dan voor een extern ondergebracht pensioen, de rentetermijnstructuur met een looptijd van 25 jaar (artikel 18 lid 3 Regeling PW).

Pensioen, ingaande op de eerste dag van de maand waarin de pensioenrichtleeftijd valt, moet, vanaf 1 januari 2015, volgens V&A 14-008 op grond van artikel 18a lid 6 Wet op de Loonbelasting 1964 (Wet LB) worden herrekend naar deze datum (zie ook de maatregel tot 1-1-2018 in ons infomagazine 2015.09). De tekst van dit, per 01-06-1999 ingegane, artikel is per 01-01-2005 in die zin gewijzigd dat ‘de 60-jarige leeftijd' werd vervangen door ‘de 65-jarige leeftijd', daarbij is de tweede volzin vervallen (Staatsblad 2005 nr. 115). Per 01-04-2012 wordt artikel 16 lid 1 van de Algemene Ouderdomswet aangepast, in die zin dat de AOW niet meer ingaat per de eerste van de maand maar op de datum zelf waarop de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet. Per 01-01-2014 wordt in de tekst van artikel 18a lid 6 Wet LB ‘65-jarige leeftijd' vervangen door '67-jarige leeftijd (pensioenrichtleeftijd)' (Staatsblad 2012 nr. 328). De aan de aangepaste onderdelen in artikel 18a lid 6 Wet LB voorafgaande tekst ‘Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de …' werd nooit gewijzigd. Per 2015 krijgt het wel ineens een andere betekenis. Dat uit de tekst van de wet blijkt dat dit altijd zo geweest is valt moeilijk vol te houden als de belastingdienst zelf in haar modelpensioenovereenkomsten ook uitging van de eerste van de maand. Het feit dat er bij een lagere pensioenleeftijd blijkbaar ook niet herrekend hoeft te worden naar de eerste van de maand van die lagere pensioenleeftijd roept nog meer vraagtekens op.

Nu het Algemeen Pensioenfonds (APF) een feit is (zie ons infomagazine 2015.10 en 2015.03) zijn meerdere partijen, zoals A.S.R., Delta Lloyd en Aegon samen met TKP, bezig met de oprichting van een APF. Onze aandacht zal daarbij vooral uitgaan naar de samenstelling en doelstellingen van de collectiviteitskringen, de van elkaar gescheiden risicogroepen. Speelt straks ‘cherry picking' bij de samenstelling een rol? Denk hier bv. aan de relatie (hogere) levensverwachting en (hoger) inkomen (zie ons infomagazine 2010.09).

 
  2015
  Klik hier voor de nieuwsberichten uit 2015.